header

dinsdag, 14 november 2017 14:34

Beter zicht op blindgangers bespaart miljoenen euro’s

Tal van Nederlandse steden en locaties zijn in de Tweede Wereldoorlog gebombardeerd en ruim zeventig jaar na dato liggen er nog steeds blindgangers in de grond. Een groep gemeenten liet dit jaar een wetenschappelijke methode ontwikkelen om de opsporing te verbeteren. De aanpak is zo veelbelovend dat ook experts uit het buitenland interesse tonen.

Op 17 juli 1943 vlogen 41 Amerikaanse bommenwerpers over Amsterdam. Doel was de Fokker vliegtuigfabriek in Amsterdam-Noord, die tijdens de oorlog spullen maakte voor het Duitse leger. Alle bommen misten echter doel. Zij boorden zich vooral in de aangrenzende woonwijk, met ruim tweehonderd doden en een hoop schade tot gevolg. Dergelijke en zwaardere verwoestingen hebben zich tijdens de oorlog in tal van Nederlandse gemeenten voorgedaan. Het grote bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940 is uiteraard welbekend, maar ook in bijvoorbeeld IJmuiden, Eindhoven, Zeeland en langs de frontlijn van 1944 zijn grote aantallen bommen afgeworpen.

Langslepende erfenis
Wat we ons zelden realiseren, is dat deze bombardementen nog steeds voor problemen zorgen, maar nu in de vorm van niet-ontplofte bommen in water en bodem (blindgangers), want naar schatting 10 tot 15 procent van de bommen weigerde indertijd dienst. In het voorbeeld van Amsterdam-Noord zijn die nacht 156 bommen afgeworpen. Luchtfoto’s en getuigen wezen op 140 daadwerkelijke explosies, dus zestien bommen waren ‘zoek’. Maximaal zestien om precies te zijn, want soms lijken twee boven op elkaar vallende bommen op één explosie en niet zelden explodeert een bom ongezien in het water.
Tal van gemeenten hebben tot op de dag van vandaag last van dergelijke blindgangers, omdat zij bodemwerkzaamheden zoals baggeren, graven of heien enorm compliceren. Niemand weet immers waar de bommen liggen, dus in theorie zou elke decimeter in en rondom het getroffen gebied bij wijze van spreken met een schepje moeten worden uitgekamd. Dat zou astronomische inspanningen en kosten met zich mee brengen. Hoewel het Rijk tot op heden 70 procent van de opsporingskosten vergoedt, moet die optie als onredelijk worden afgevoerd.
Gemeenten proberen het ‘verdachte gebied’ daarom zo nauwkeurig mogelijk af te bakenen, op basis van historische gegevens en technische expertise. Met zo’n lastige opgave voelen veel gemeenten de behoefte om kennis met elkaar uit te wisselen over hoe om te gaan met deze erfenis uit de Tweede Wereldoorlog. Die behoefte groeit naarmate nieuwbouw en stedelijke vernieuwingsprojecten steeds vaker vereisen dat de bodem van ooit getroffen locaties op de schop gaan. In 2010 werd daar zelfs een gemeentelijk Platform Blindgangers voor opgericht, dat als werkgroep onder de VNG functioneert

Nearest neighbour
Tot op heden wordt een verdacht gebied afgebakend op basis van adviezen van commerciële opsporingsbureaus. Zij gebruiken daarvoor een inschatting die de nearest neigbour-methode wordt genoemd en ooit door Duitse en geallieerde bomexperts werd bedacht. Simpel samengevat meet deze methode op luchtfoto’s alle afstanden tussen naastgelegen inslagen. Bommen vallen meestal vrijwel tegelijk uit het luik, dus in principe verwachten we inslagen op regelmatige afstanden van elkaar. Om allerlei redenen slaan sommige bommen echter relatief ver van hun buren in. De grootste gemeten afstand tussen twee buurbommen wordt dan ook gezien als een veilige buffer rondom een getroffen gebied. Buiten die buffer zouden redelijkerwijs dus geen blindgangers moeten liggen.
Bij een eenvoudig lijnbombardement van één vliegtuig kunnen we met deze methode behoorlijk uit de voeten, maar bij een complex bombardement van meer vliegtuigen lijkt de luchtfoto meer op een schot hagel waar geen patroon in valt te ontdekken. Welke bommen horen dan bij welk vliegtuig en welke bommen zijn derhalve hun onderlinge buren? Volgens Henriette van Hoek, bodemadviseur bij de Gemeente Amsterdam, was tot dusver de enige oplossing om de situatie voor te leggen aan de eerdergenoemde adviesbureaus en hun expert opinion te vragen. “Experts komen echter vaak met tegenstrijdige adviezen waar de contour van een verdacht gebied moet lopen. Op basis van dezelfde historische gegevens kan de ene expert een gebied uittekenen dat zomaar twee keer zo groot is als de inschatting van een collega.”
Is eenmaal een verdacht gebied afgetekend, dan worden alle bodemwerkzaamheden in dat gebied met de grootste zorgvuldigheid uitgevoerd. Denk aan het uitkammen van de bodem met grondradar, duikers die de waterbodem afspeuren, de bodem om de paar meter inprikken met sondes, of het helemaal afgraven van een plek. Dat zijn kostbare operaties die projecten enorm kunnen vertragen en compliceren. In de praktijk blijkt er zelden iets te worden gevonden.

Wetenschappelijke methode
Het is dan ook begrijpelijk dat gemeenten op zoek gingen naar een meer wetenschappelijke methode om een verdacht gebied af te bakenen. In 2016 schoven gemeenten, de Explosieven Opruimingsdienst Defensie en bomexperts uit het bedrijfsleven daartoe om tafel met de Nijmeegse onderzoeksgroep Crisislab, onder leiding van hoogleraar Ira Helsloot. Crisislab ging met een paar statistici enthousiast aan het werk en publiceerde in augustus 2017 een baanbrekend rapport met een geheel nieuwe methode, waarin het bombardement op Amsterdam-Noord als case werd gebruikt.
De nieuwe methode baseert zich op de resultaten van archiefonderzoek over het aantal vliegtuigen, het aantal bommen, de afwerptechniek en luchtfoto’s van voor en na het bombardement. Met die input maakt een computerprogramma een statistische kansberekening waar de blindgangers zich waarschijnlijk zullen bevinden. “Om dat bombardement in Amsterdam-Noord met 41 vliegtuigen door te rekenen, hadden we echt brute rekenkracht nodig”, legt Helsloot uit. “De computer gebruikte daarvoor de Monte Carlo-methode, waarin hij 10 miljoen simulaties maakte van welk vliegtuig bij welke bomkrater hoorde. De centrale computers van de Radboud Universiteit hebben daar een heel weekend op zitten stampen, maar uiteindelijk kon een betrouwbare contour van het gebied worden getekend.”

Andere vorm
De bij dit artikel afgedrukte kleurenplaat zet de traditionele nearest neighbour-methode en de nieuwe statistische methode bij elkaar. Daaruit blijkt de omvang van het verdacht gebied een stuk ingekrompen vergeleken met de oude manier van inschatten, en het gebied is ook anders van vorm. Bovendien wordt een geïsoleerde plek buiten het verdachte gebied, door de oude methode nog als verdacht aangewezen, door de nieuwe methode als gewoon veilig beoordeeld. Met andere woorden, mocht de nieuwe methode in Nederland maatgevend worden, dan hoeven voortaan veel minder hectares terrein te worden uitgekamd, waarmee miljoenen euro’s zijn te besparen.

Restrisico
Het computermodel van Crisislab kan naar wens nauwe of ruime gebiedscontouren tekenen. Met een kleine contour bestaat er een aanzienlijke kans dat buiten de grens nog een blindganger ligt, met een ruime contour neemt die kans heel snel af. Volgens Helsloot is de 90 procent-contour een optimale keuze om het veiligheidsbeleid op te baseren. “Die contour zegt dat we met 90 procent zekerheid kunnen beweren dat alle mogelijke blindgangers zich binnen dat gebied bevinden. Buiten die contour vlakt de kansverdeling heel snel af. Om dat te illustreren met het voorbeeld van Amsterdam Noord: de kans dat er honderd meter buiten de contour nog een bom ligt is net zo groot als dat die bom helemaal naar het Vondelpark is afgezwaaid.”
Die 90 procent zekerheid klinkt heel groot, maar het blijkt dat de Arbowetgeving in Nederland daar toch anders tegenaan kijkt. Volgens de regels van het ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid dient de kans dat een graafmachine op een bom stuit te worden teruggebracht tot nul. Bij twijfel kan de Inspectie de bouwwerkzaamheden op elk moment stilleggen. Hoogleraar Helsloot vindt die voorzichtigheid volstrekt irrationeel. “Nul procent risico om op een bom te stuiten is onzin, want dan zou je letterlijk heel Nederland moeten uitkammen. Ik merk daarbij op dat de kans op een ongeluk zowel statistisch als in de praktijk buitengewoon klein is. Na de oorlog is in Nederland nog nooit een blindganger uit zichzelf ontploft, zelfs niet nadat een graafmachine er per ongeluk op stuitte.”

Toekomstsperspectief
De nieuwe methode van Crisislab oogst intussen belangstelling in binnen- en buitenland. Het college van B&W van de gemeente Amsterdam heeft in september besloten om de nieuwe methode te gaan gebruiken. Andere gemeenten zouden wel willen, maar kunnen dat niet altijd. “In Rotterdam hebben we grote waardering voor de nieuwe methode”, aldus gemeentelijk bommenexpert Joost Martens, “maar na het 14 mei bombardement zijn er geen goede luchtfoto’s gemaakt en we hebben voor dat bombardement dan ook te weinig input voor het computermodel.”
In de Gemeente Velsen speelt iets vergelijkbaars. Beleidsadviseur Jos van der Heijden is ook van de nieuwe aanpak gecharmeerd, maar rondom de Hoogovens en zeesluizen bestaan vooralsnog alleen indicatieve bommenkaarten. “Die kaarten gaan we actualiseren dan kunnen we de nieuwe methode hopelijk gaan toepassen. Geloof me, ik zou het reuze interessant vinden om toegang te vragen tot de Amerikaanse oorlogsarchieven in Washington DC om de noodzakelijke gegevens te verzamelen.”

Endre Timár is milieukundige en sinds 2007 werkzaam als zelfstandig adviseur/publicist.

Laat een reactie achter

Zorg ervoor dat u de verplichte (*) velden invult waar dit is aangegeven. HTML code is niet toegestaan.

Zoeken

Direct met ons in contact?

Adverteren in ons blad of op de website? 
Neem contact op met Frank van Gils
tel.: 06-53 88 82 66
e-mail: f.gils@bdu.nl

Een artikelidee voor de redactie?
Neem contact op met Teus Molenaar
tel.: 06-51578447
e-mail: tmlandenwater@gmail.com 

Advertenties