Toekomst

De sector grond-, water- en wegenbouw kan zich opmaken voor nog drie jaar krimp van de productie. Dit blijkt uit berekeningen van het Economisch Instituut voor de Bouw, EIB. De negatieve gevolgen van de bezuinigingen op infrastructuur zijn opgetekend in opdracht van Rijkswaterstaat, die het rapport ‘Effecten van bezuinigingen in de infrastructuur’ met de cijfers in mei naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.
De omzet in de sector is het eerste kwartaal van dit jaar met bijna 4 procent afgenomen, aldus het CBS (zie Trends & Cijfers in deze uitgave van Land+Water). De grootste klappen vallen bij het midden- en kleinbedrijf. Het grootbedrijf wist de omzet vast te houden op het niveau van dezelfde periode vorig jaar.
Het teruglopen van de productie vertaalt zich meteen in een toenemende werkloosheid. Volgens HR-organisatie Yacht (onderdeel van Randstad Holding) is in het tweede kwartaal dit jaar de vraag naar professionals in bouw, civiel en ruimtelijke ordening met 25 procent teruggelopen vergeleken met dezelfde periode vorig jaar. Desondanks is er ook nog sprake van een structureel tekort aan young professionals. Vacatures voor bijvoorbeeld civieltechnici zijn de afgelopen maanden met 23 procent gedaald, aldus Yacht.
Behalve het rijk hebben waterschappen, provincies en gemeenten ook hun aandeel te leveren in de bezuinigingen door geplande investeringen in de natte en droge infrastructuur te schrappen of naar de toekomst op te schuiven.
De minister van IeM, mw. Schultz van Haegen, stelt naar aanleiding van het EIB-rapport vast dat elke miljoen euro bezuinigen een werkgelegenheidseffect heeft van ongeveer zeven mensjaren. Het effect bij onderhoud ligt hoogstwaarschijnlijk hoger dan bij aanleg, omdat dat arbeidsintensiever is. De bezuinigingen hebben voor 60 procent direct gevolgen voor de sector; 40 procent straalt uit op aanverwante bedrijfstakken, zoals leveranciers van bouw- en grondstoffen en de industrie.
Je kunt je afvragen of het terugdraaien van deze investeringen ongestraft kan. Het zijn toch projecten die met een bepaald doel zijn gepland: waterveiligheid, terugdringen CO2-uitstoot; verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit; verminderen fileleed en werken aan schone lucht. Kunnen we zomaar hiervan afstappen? Publieke beheerders hebben hierover, mag ik aannemen, goed nagedacht: de investeringen zijn allemaal maatschappelijk nodig. Wat is de schade voor burgers, bedrijven en het milieu als projecten niet worden gerealiseerd of althans veel later in uitvoering komen? Je kunt je zelfs afvragen of ze wellicht echt nodig zijn geweest als je er zo gemakkelijk van af kunt stappen.
En wat is de schade voor de nationale economie en de inkomsten van de schatkist. Nu heb ik me laten vertellen dat dit allemaal wel meevalt. Het zijn vooral ondernemers, projectontwikkelaars en vermoedelijk de banken die direct financieel voordeel hebben van overheidsinvesteringen. Het rijk zelf zou niet meteen de vruchten ervan plukken. Het is dus vooral de regionale economie die van overheidsinvesteringen kan opbloeien. Niet alleen daarom is het onverstandig om te bezuinigen: we raken ook achterop met research, kennisontwikkeling en het technisch onderwijs. Welk jong mens ziet nu voor hem in deze sector een toekomst weggelegd?
Bas Keijts, hoofdredacteur Land+Water
b.keijts@bdu.nl


Ga terug naar het overzicht

t