Lessen uit beheer akkerranden en taluds in de Veenkoloniën

Water/Bodem
Klimaat  Kwaliteit 
‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Meerjarige grasranden lijken beter afspoeling te kunnen reduceren dan ingezaaide eenjarig randen. Boeren en waterschappen willen meer contact. Twee conclusies uit onderzoek naar de combinatie tussen akkerranden, taluds en slootbeheer in de Veenkoloniën.
Beeld van het maaibeheer in de zomer.

De studie is uitgevoerd door het samenwerkingsverband Innovatie Veenkoloniën, gestart naar aanleiding van het nieuwe Europese Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB). Het werkt aan toekomstbestendige landbouw.
Het onderzoeksproject heeft plaatsgevonden in Vathermond. Kenmerkend voor dit veenontginningsgebied is het vlakke, laaggelegen landschap en de rechthoekige percelen. In het gebied zijn nog veel veenwijken aanwezig. Deze wijken, kleine kanalen, zijn ontstaan tijdens de veenwinning door het ontwateren van veen en het vervoeren van de gewonnen turf per boot. De waterpeilen in het gebied zijn vrij constant en in droge periodes wordt er water ingelaten. Er zijn relatief weinig permanente landschapselementen zoals bosjes en overhoekjes. Langs een van deze wijken op de proefboerderij Open Teelten Vathermond van de WUR is het deelproject uitgevoerd.
Langs één wijk op het proefbedrijf zijn vier typen akkerranden ingezaaid die door verschillen in de vegetatie elk een andere functie kregen: drift en uitspoeling reduceren, functionele agrobiodiversiteit stimuleren (FAB), bestuivers stimuleren en in de winter vogelvoedsel bieden. Daarnaast was er een referentiestrook met oorspronkelijke vegetatie die niet ingezaaid was. Het aangrenzende talud werd op verschillende wijze beheerd door enkel of meermaals te maaien en af te voeren of te klepelen waarbij het maaisel blijft liggen. Via enquêtes bij agrariërs en de waterschappen zijn verschillende soorten beheer in kaart gebracht. Daarnaast is er een kostenanalyse gemaakt van de verschillende soorten beheer. 

Akkerranden 

Beeld van het maaibeheer in de winter.

De akkerranden zijn zowel in het najaar als in het voorjaar ingezaaid met eenjarige soorten. Het driftmengsel bestond uit een kruidenrijk graslandmengsel met rogge. Het FAB-mengsel bevatte veel ondiepe bloemen, waardoor ook insecten met een korte tong goed bij de nectar konden komen. Het bestuiversmengsel bevatte verschillende bloemtypes zoals vlinderbloemige en composieten en waardplanten voor vlinders. De rand die voedsel voor vogels moest leveren bevatte bloemen die wat groter zaad zetten, zoals bijvoorbeeld korenbloem, bolderik en granen.  

De resultaten uit de eenjarige proef laten verschillende trends zien. Voor het reduceren van drift is het driftmengsel dat in het najaar ingezaaid was de beste kandidaat. De natuurlijk aanwezige vegetatie heeft de grootste wortelbiomassa, waardoor deze vegetatie de uitspoeling beter kan reduceren dan de ingezaaide akkerranden. Het is interessant te onderzoeken wat het verschil zou zijn tussen natuurlijke vegetatie en een meerjarige rand. De gewenste bodembedekking is hoger bij najaarsgezaaide mengsels, maar de verschillen zijn enkel indicatief. Ook voor wintervogelvoedsel is de najaarszaai samen met de FAB-najaarszaai de beste keuze. Wat betreft de aantrekkelijkheid voor bestuivers lijkt vooral het aandeel rode klaver van belang. De matige opkomst van andere kruiden maakte het echter niet mogelijk om duidelijke verschillen aan te wijzen. Wel scoren de ingezaaide randen beter dan de referentierand en de rand met natuurlijk aanwezige vegetatie. Dit is logisch, gezien het beperkte aandeel bloeiende soorten. 

Enquête

Naast onderzoek naar de prestaties van de verschillende akkerranden zijn er in de vroege zomer van 2021 ook enquêtes uitgezet bij agrariërs en bij de waterschappen. Alle waterschappen én de Unie van Waterschappen hebben gereageerd op de enquête. Hiermee is een goed beeld ontstaan over de wijze van slootrandenbeheer op nationaal niveau. Bij de enquête voor de boeren was een meerderheid werkzaam in het stroomgebied Hunze en Aa’s (noordoosten van Nederland). Daardoor zijn de uitkomsten van de boerenenquête meer van toepassing op dit deel van Nederland dan op heel Nederland. Naast vragen over het toepaste beheer was er ook ruimte voor aanbevelingen. 

Bij de agrariërs waren er 53 respondenten. Circa 50 procent van de deelnemende agrariërs heeft akkerranden. Maar dit aantal varieert sterk per regio. De helft van de boeren geeft aan dat alles in één keer wordt gebaggerd. Daarnaast geeft een derde van de boeren aan dat het onderhoud vooral met de maaikorf wordt gedaan. Driekwart van de boeren geeft aan tevreden of zelfs zeer tevreden te zijn over de manier waarop hun sloten worden geschoond. Bijna de helft past gefaseerd maaibeheer toe. 

Meer contact wenselijk

Wat betreft de aantrekkelijkheid voor bestuivers lijkt vooral het aandeel rode klaver van belang.

Een belangrijke uitkomst van de enquête is dat beide groepen respondenten aangeven dat zij meer contact tussen beide partijen wenselijk vinden. Ook waren er waardevolle aanbevelingen over sloot- en randbeheer, zoals laat het waterschap vaker of eerder maaien. De hoeveelheid vegetatie wordt soms te groot voor de standaardapparatuur. Daarnaast verdienen probleemonkruiden meer aandacht, zodat bijvoorbeeld het rijpad of talud geen bron wordt van akkeronkruiden als distels.
Er is behoefte aan meer wederzijds contact rond de schouw en het uitvoeren van onderhoud, zodat er bijvoorbeeld niet te diep gebaggerd wordt en het maaisel goed wordt afgevoerd. Beide partijen willen ook beter kunnen samenwerken en erkennen dat er winst te behalen valt in het inzetten van elkaars expertise. Wel wordt er aangeven dat het belangrijk is aandacht te hebben voor de boerenpraktijk, dus aandacht te houden voor problemen als veronkruiding. Een mooie bevinding is de wederzijdse bereidheid tot verdere toetreding naar elkaar. Tot slot is het bepalen van het hoofddoel van de akkerrand cruciaal: is dit drift en uitspoeling reduceren of moet de functionele agrobiodiversiteit versterkt worden? Met een duidelijk doel kunnen agrarische ondernemers beter sturen op de effecten.

Kosten & baten

In deze proef is getest met alternatief beheer ter vervanging van het gangbare klepelen en laten liggen. Dit brengt echter hogere kosten met zich mee: eenmaal per jaar klepelen van een rand kost ca. €33/km, terwijl maaien ca. €80/km kost per keer. In beide gevallen is uitgegaan van een randbreedte van 3 meter. Voor het talud zijn de kosten voor ecologisch beheer nog hoger. Waar klepelen op €33 ligt, stijgt de prijs voor maaikorven en afvoeren tot €450/km.
Afhankelijk van de vorm en de frequentie van het aangepaste beheer kan deze kostenverhoging dus fors zijn. Uit dit onderzoek bleek dat dit duurdere beheer positieve effecten kan hebben op onder andere groei van braam en brandnetel, wat de kwaliteit van het talud ten goede komt. Om dergelijk (gefaseerd) maai- en afvoerbeheer in de praktijk mogelijk te maken is extra financiering nodig. 

Meerjarige akkerranden

Hoewel de bevindingen uit dit onderzoek indicatief zijn, kunnen er duidelijke ontwikkelingen en trends vastgesteld worden. In deze proef lijken najaarsingezaaide kruidenmengsels het onkruid beter te onderdrukken dan voorjaarsmengsels. Meerjarige grasranden lijken beter afspoeling te kunnen reduceren dan ingezaaide eenjarig randen. Rode klaver blijkt een robuuste toevoeging aan een eenjarig akkerrandmengsel en maaien en afvoeren zijn beduidend duurder dan klepelen en laten liggen. De behoefte aan onderlinge afstemming tussen agrarische ondernemers en waterschappen is groot, wat kansen biedt voor nauwere samenwerking. Er is in dit project geen aanwijzing gevonden dat het beheer van het talud invloed heeft op de biodiversiteit in de randen. Het zou interessant zijn om in een vervolgtraject meerjarige akkerranden te onderzoeken op hun effectiviteit omdat die over het algemeen meer potentie hebben dan eenjarige randen.
Dit onderzoek is uitgevoerd door het Louis Bolk Instituut en is onderdeel van het overkoepelende project Innovaties Biodiversiteit Veenkoloniën, onder leiding van de Agrarische Natuurvereniging Oost Groningen, Agrarische Natuur Drenthe en de provincies Groningen en Drenthe. Dit project wordt gefinancierd uit het Programma voor Plattelandsontwikkeling 2014-2020 voor Nederland (POP3). 

Merlijn van den Berg is onderzoeker Veredeling & Innovatieve Teelten; Merel Hondebrink is onderzoeker Duurzaam Bodembeheer; Dennis Heupink is onderzoeker Bodem en Teelten (allen bij het Louis Bolk Instituut).